WANDELEND DOOR HET BOS
DOUGLAS HARDING
Toen ik deze zomer in de beboste heuvels van de Drôme in Zuid-Frankrijk wandelde, deed ik een eigenaardige ontdekking, eigenaardig en praktisch. In elk geval praktisch voor een man van mijn leeftijd.

De onverharde bospaden met hun zachte hellingen, leenden zich heel goed voor het wandelen op voorwaarde dat je niet struikelde over de zwerfkeien en uitspringende rotsen of in de kuilen van de weg. Bewust van dit gevaar besteedde ik bijzondere aandacht aan het wegoppervlak, en koos zorgvuldig mijn weg tussen de hindernissen, zodat ik slechts bij uitzondering een teen stootte of de enkel omsloeg.

Mijn voorzichtigheid was efficiënt, maar had twee nadelen : ik 'wankelde' meer dan ik wandelde en ik merkte niets van het bos. De bloemen langs de weg (op hun best), de dichte bomen met soms er tussen een schitterend uitzicht op valleien en verre bergen, dit alles was niet voor mij. Mijn enig landschap was een paar voeten, die zich een ongemakkelijke weg zochten doorheen miniatuur bergen en dalen.

Spoedig was ik dit eentonig decors beu en besloot een totaal andere manier van wandelen te proberen. Risico's nemend (zo dacht ik) keek ik recht voor mij uit in plaats van naar beneden. Ginder op halflange afstand, was het witte, door bomen begrensde pad, dat naarmate het dichterbij kwam breder werd, dan waziger, om tenslotte helemaal te verdwijnen. Geen hindernissen meer op de weg, geen benen en voeten die mijn aandacht vroegen, niets van dit alles. Alsof juist hier het pad glad gerold was om veilig te wandelen, ja alsof de weg zich voor mij oprolde. Als hier echt iemand wandelde (wat niet het geval was) wandelde hij op lucht. Nee, ik viel niet op mijn neus, noch verstuikte ik een enkel. Precies het tegengestelde : ik stapte met vaste voet - want ik was zonder voeten. En ik was vrij om van het bos te genieten. De nieuwe methode werkte.

Tenminste het werkte, zolang ik niet mijzelf verloor in het landschap. Het werkte zolang ik in mijn centrum bleef, bewust van mijzelf als de ruimte waarin het wisselend boslandschap zich vertoonde; bewust van de afwezigheid hier van een wandelaar-in-het-bos; bewust van het Niets hier dat niets te maken had met weghindernissen daar. Want ik merkte spoedig dat zodra ik geboeid werd door iets daarginds en het contact verloor met mijn vrijheid hier, ik opnieuw begon te strompelen. Het bleek dat deze centrale leegte best functioneerde als het helder tegenwoordig was als leeg. Ik moest blijkbaar bewust de naderende hindernissen oplossen, tegelijk met de voeten en benen die ze probeerden te ontwijken.

Ik herinnerde mij het trieste verhaal van de duizendpoot die rustig zijn weg volgde, tot een insect-bemoeial hem vroeg hoe hij het in godsnaam klaarspeelde al deze poten te beheersen. Wat een bekwaamheid om al deze bewegende delen te controleren! Arme duizendpoot: één bezorgde blik op zijn bewegende ledematen en alles viel stil... om nooit meer op gang te komen.

Rond de struiken fladderden vreemde vlinders, daarboven cirkelden zwaluwen. Overal die volmaakte behendigheid in de vlucht: de vlinders die heen en weer doken om niet gevangen te worden, de zwaluwen (geboren eersteklas-vliegers) met een elegantie die de menselijke luchtacrobatie lomp, onbehendig en zeer gevaarlijk doet lijken. Geen enkele zwaluw die achterom ziet om vleugels of staart te vinden : een blik zou volstaan, vermoed ik, om het arme dier als een baksteen te doen vallen. Voor zichzelf is de vogel geen vogel, het dier geen dier, daarom beweegt het in gratieuze schoonheid. Het is het schouwspel ginder. Heb je ooit je kat zien neerkijken naar haar poten, of zien struikelen over een stuk vergeten speelgoed ? Observeer eens een peuter die leert lopen. Zie hoe hij voorover neigt, verdiept in wat vóór zich ligt, terwijl zijn kleine beentjes achterop waggelen. De waarheid (het innerlijke verhaal van de eerste persoon) is dat we leren lopen zonder benen en slechts later ontdekken we die dubbele ondersteuning. Met welk resultaat ! Kijk naar de jonge kinderen aan zee, zie ze ravotten op de gladde rotsen, ze kijken nauwelijks waar ze hun voeten zetten en toch verliezen ze zelden het evenwicht. Vergelijk dat met het aarzelende maneuvreren van hun ouders over diezelfde rotsen: alsof ze op stelten lopen!

Hoe kunnen we deze verloren kunst van het kind, de kat, de zwaluw terugvinden; de kunst van de aangepaste, niet-aarzelende beweging, zonder zich te bekommeren om de bewegende delen. Er is geen terugkeer naar het paradijs van de kindsheid. Ik kan niet meer simpelweg plaats maken voor de bomen en heuvels in de verte. Dat landschap volstaat niet om mij vrij te maken van mijzelf. Waarom? Omdat het koppig idee volhardt dat iets hier (mij) reageert op iets daar (niet-mij). De vaststaande overtuiging van iedere volwassene, de basis van zijn leven als mens tussen de mensen (des te meer onwankelbaar, want nooit in vraag gesteld) is dat in het centrum van zijn universum een solied, ondoorschijnend, gekleurd en gecompliceerd aktief ding ligt, onzichtbaar voor zijn eigenaar, maar niettemin volmaakt reëel. Deze universele menselijke overtuiging wordt niet in zoveel woorden uitgedrukt: het hoeft niet eens, want het is zo evident, het spreekt voor zich. En het is een leugen. Eigenlijk is het de leugen.

Het is een leugen die zichzelf steeds herhaalt en versterkt - naarmate men veroudert steeds maar solieder wordt - totdat op een gelukkige dag de absurditeit ervan wordt ingezien. Hoewel ik niet langer als de zwaluw, vrij van mijzelf kan zijn door mijn tegenwoordigheid te negeren, kan ik mijn afwezigheid hier zien. Hoewel ik niet langer mijzelfkan verliezen in het tafereel van het bos, kan ik mijzelf vinden als de ruimte waarin dit tafereel verschijnt. Hoewel ik mijzelf niet langer kan toestaan, zoals het jonge kind, om mijn voeten te vergeten samen met de grond die ze betreden, kan ik mij herinneren (herinneren van het zien) van hun verdwijning. Eenmaal bewust van het feit 'hier wandelt niemand in het bos', wordt dit een fijne, niet vermoeiende en genietbare wandeling. Zonder dit bewustzijn is het lastig. Dit is een ervaring, geen theorie. De Leegte - haar vermogen om de moeilijke (en de goede) momenten van het leven het hoofd te bieden - is hier en nu om getest te worden de hele dag en iedere dag.

Deze onzegbare, wonderbare Leegte, van waaruit alle wezens leven, deze ongelooflijke know-how die van iedereen is, deze centrale afwezigheid-van-lichaam die alle lichamen die eruit voortkomen bezielt en ordent, is één en dezelfde in allen. Wezenlijk is het de volmaaktheid zelf in de mens, het kind, de kat, de zwaluw, de worm, de cel, het atoom... Alleen, als dit zo is, waar komen dan al deze onevenwichtigheden vandaan, de gestoten tenen en de verzwikte enkels op de weg van het leven ? Laat ons hier nog eens de drie stadia of gedragsniveaus onderscheiden die we reeds besproken hebben.

1) Eerst het niet-menselijk wezen, dat leeft zonder zich vragen te stellen, zonder belemmering van zijn centrale leegte, en dat hierbij "weet" wat te doen, hoe en wanneer. Akkoord, het is een specialist, die zich beperkt tot één specifieke levensstijl. Het bemoeit zich alleen met zijn eigen zaken. Maar kijk wat een resultaat. Het eerste web van de jonge tuinspin is een meesterwerk van constructie. Toch kreeg zij nooit les in web weven en weet zij niet waar webben voor dienen. Daar waar ik woon (Engeland) ziet de hemel soms zwart van de vogels, dikwijls verschillende soorten, die vliegen in alle richtingen. Voor zover ik weet hebben zij geen verkeersreglement, geen voorrangsregel van rechts of links; toch heb ik nooit de minste vergissing, laat staan een botsing gezien. Dit zijn geen uitzonderlijke voorbeelden. Elk wezen is op zijn wijze evenzeer virtuoos en evenzeer onwetend.

2) Natuurlijk is de mens op zijn manier nog briljanter. Hij is de amateur, niet-specialist, de algemeen deskundige van de natuur. Er is nauwelijks een vaardigheid - te land, ter zee of in de lucht - die hij niet weet te evenaren, meestal stuntelig, met talrijke tegenvallers en veel moeite. Hij is stuntelig omdat hij zich belast met een lichaam; hij voelt zich gefrustreerd en ellendig omdat deze koppige overtuiging iemand te zijn hem belet te zien wie hij werkelijk is (niet-iemand). Voor zijn kennis en kunde vertrouwt hij niet langer zijn alwetende, onuitputtelijke bron, maar richt zich naar wat hij gelooft te zijn, dit minuscule, gehandicapte, onbetrouwbare en uiteindelijk onwerkelijke lichaam-intellect (body-mind). Het resultaat is indrukwekkend, en zó rampzalig dat het de overleving van zijn soort bedreigt.

3) Er is een remedie. Het betekent niet de terugkeer naar het onbewuste van het dier en het kleine kind. Het betekent ook niet het opgeven van de onmetelijke verworvenheden van het menselijk zelfbewustzijn (waarbij men in staat is van buitenaf naar zichzelf te kijken). Maar het gaat erom te komen tot waarachtig zelf-bewustzijn, wat betekent Zelf-bewustzijn. Het betekent opnieuw thuis te komen op de plaats die men inneemt en vast te stellen dat die plaats onbezet is. Het betekent tot rust te komen in het stille centrum van de bewegende wereld. Het betekent het heldere zien van en de overgave aan mijzelf, aan Datgene en Diegene die ik altijd al geweest ben. Het betekent het hernemen op het hoogste niveau van de aangeboren flair, de vaste tred, de natuurlijke gratie, de spontaneïteit die alleen de mens heeft weten te onderdrukken.

Uiteindelijk komt het hier op neer : de enig zinnige manier om door de bossen van de wereld te wandelen is te zien dat niemand wandelt.